
Jurisprudentie
AZ0044
Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1292 WW + 06/2746 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1292 WW + 06/2746 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet reëel is betrokkene te verwijten dat hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet heeft gesolliciteerd.
Uitspraak
06/1292 WW
06/2746 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2006, 05/2349 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft het Uwv de Raad een, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, op 23 januari 2006 genomen nieuwe beslissing op bezwaar toegezonden.
Appellant heeft een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Namens appellant is verschenen mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 26 april 2004 tot en met 25 juni 2004 gedurende 32 uur per week werkzaam geweest als onderzoekmedewerker bij de leerstoelgroep Agrarische Economie en Plattelandsbeleid (hierna: AEP) van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Bij het aangaan van het dienstverband is afgesproken dat de functie van appellant na twee maanden zou worden geëvalueerd en dat daarna wellicht verlenging van de aanstelling mogelijk zou zijn. Dat hing af van de vraag of het project over Turkije, waar de leerstoelgroep AEP in participeerde, zou worden goedgekeurd alsmede van een positieve evaluatie omtrent het functioneren van appellant. In mei 2004 is het betreffende project goedgekeurd. Volgens een verklaring van 3 juni 2005 van dr. Blom, directeur management SSG van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum, heeft de evaluatie van appellant rond 22 juni 2004 plaatsgevonden. De leidinggevende van appellant heeft daarbij geconstateerd dat appellant met veel energie heeft gewerkt maar dat de resultaten van zijn werkzaamheden onvoldoende waren om een nieuwe aanstelling te rechtvaardigen. Op 25 juni 2004 is de tijdelijke aanstelling van appellant van rechtswege geëindigd.
2.2. Appellant heeft op 28 juni 2004 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Hij heeft daarbij vermeld dat de dienstbetrekking op 24 juni 2004 mondeling is opgezegd door de werkgever.
2.3. Bij besluit van 12 juli 2004 is appellant meegedeeld dat zijn per 26 april 2004 beëindigde recht op WW-uitkering met ingang van 28 juni 2004 herleeft. Daarbij is een korting toegepast van 20% gedurende 16 weken omdat appellant voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet heeft gesolliciteerd.
2.4. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het Uwv, nadat een eerder op bezwaar genomen besluit door de rechtbank was vernietigd, de bezwaren van appellant tegen het besluit van 12 juli 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat van appellant mocht worden verlangd dat hij vanaf 26 april 2004, de datum waarop het tijdelijke dienstverband aanving, naar ander werk solliciteerde, omdat er een aanzienlijke kans bestond dat hij na afloop van dit contract opnieuw werkloos zou worden.
2.5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 3 mei 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv binnen acht weken na verzending van de uitspraak met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.
De rechtbank heeft op grond van de beschikbare gegevens geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat het voor appellant reeds vanaf 26 april 2004 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de dienstbetrekking op de afgesproken datum zou eindigen, maar dat het voor appellant in elk geval na 22 juni 2004, de datum waarop het evaluatiegesprek plaatsvond, duidelijk moest zijn dat zijn arbeidsovereenkomst tot een definitief einde zou komen. Volgens de rechtbank had appellant vanaf die datum ten minste één sollicitatie moeten verrichten. Aangezien appellant dat niet heeft gedaan was de rechtbank van oordeel dat appellant in onvoldoende mate heeft getracht arbeid te verkrijgen.
De rechtbank achtte echter de door het Uwv opgelegde maatregel van 20% gedurende 16 weken niet evenredig, gelet op het korte tijdsbestek tussen het evaluatiegesprek en de afloop van de arbeidsovereenkomst en gelet op de gang van zaken voorafgaand aan de datum van het evaluatiegesprek. De rechtbank kwam op grond hiervan tot het oordeel dat aan de handelwijze en opstelling van appellant de verwijtbaarheid weliswaar niet geheel ontbreekt, maar dat deze handelwijze wel zodanig beperkt is dat het Uwv hierin aanleiding had moeten zien om de aan appellant op te leggen maatregel te matigen.
2.6. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hem niet op dinsdag 22 juni 2004 maar pas op donderdag 24 juni 2004 door zijn leidinggevende kenbaar is gemaakt dat het project weliswaar zou worden gecontinueerd, maar dat de Wageningen Universiteit en Research centrum daarbij geen gebruik meer wilde maken van zijn diensten. Deze mededeling kwam voor appellant als een donderslag bij heldere hemel. Niettemin is appellant de volgende dag, vrijdag 25 juni 2004, nog vanuit zijn woonplaats Rotterdam naar Wageningen gereden om de laatste hand te leggen aan zijn werkzaamheden en om bij zijn collega’s in de desbetreffende vakgroep na te gaan of er steun bestond voor een eventuele voortzetting van het dienstverband. De twee dagen daarna vielen in het weekend. Appellant was buitengewoon aangeslagen door de gebeurtenissen en heeft hulp en begeleiding van een psycholoog gezocht om zijn teleurstelling te verwerken. Volgens appellant kon van hem onder deze omstandigheden niet worden verlangd dat hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid ten minste één sollicitatie zou verrichten. Appellant heeft daarbij gewezen op ’s Raads uitspraak van 22 juni 2005, LJN AT8826, gepubliceerd in USZ 2005/296.
2.7. Voorts heeft appellant in hoger beroep een e-mail in geding gebracht gedateerd op 25 juni 2004, afkomstig van W. Houweling, medewerker personeelszaken van de Wageningen Universiteit en Research centrum, gericht aan A. Oskam, HRM-adviseur van het departement Maatschappijwetenschappen van die universiteit, waarin staat vermeld dat appellant het op prijs stelt officieel te melden dat hij wel aanwezig is, maar zich al twee dagen te ziek voelt om te werken. Appellant, die op woensdagen niet werkte, ziet hierin een bevestiging van zijn standpunt dat het evaluatiegesprek niet op dinsdag 22 juni 2004 maar pas op donderdag 24 juni 2004 heeft plaatsgevonden
2.8. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en in het verweerschrift, onder verwijzing naar de brief van dr. Blom van 3 juni 2005, benadrukt dat het evaluatie-gesprek op dinsdag 22 juni 2004 heeft plaatsgevonden. Blijkens het in rubriek I vermelde nadere besluit van 23 januari 2006 is het Uwv thans van opvatting dat appellant in de periode van dinsdag 22 juni 2004 tot maandag 28 juni 2004 ten minste één concrete sollicitatie had moeten verrichten en is de eerder opgelegde maatregel gematigd tot 10% gedurende 16 weken.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. De Raad merkt het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door het Uwv genomen besluit van 23 januari 2006 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.
3.2. De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 23 januari 2006, voorzover hier van belang, geheel in de plaats is getreden van het eerdere besluit van 3 mei 2005. Appellant heeft aldus geen procesbelang meer bij het hoger beroep voorzover daarbij het besluit van 3 mei 2005 is aangevochten, zodat dit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.3. Met betrekking tot het besluit van 23 januari 2006 stelt de Raad vast dat partijen er niet over van mening verschillen dat appellant voorafgaande aan het einde van de tijdelijke dienstbetrekking geen concrete sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid. In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of appellant daardoor de ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
3.4. In de bijlage van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW heeft het Uwv zijn beleid neergelegd ter zake van de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te verrichten. Onder het kopje “Sollicitatieplicht werknemers voorafgaande aan recht op uitkering” is bij het tweede gedachtenstreepje gesteld: “Van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt wordt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt”. De Raad heeft in zijn uitspraak van 6 juli 2005, LJN AT9477, USZ 2005/328, overwogen dat dit onderdeel van het beleid van het Uwv niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.
3.5. Ter bepaling van het moment waarop het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn dienstbetrekking eindigde dient, zoals uit de zojuist vermelde uitspraak van de Raad blijkt, een voldoende objectiveerbaar tijdstip te worden genomen.
3.6. Evenals de rechtbank acht de Raad dat moment gelegen op de datum waarop het evaluatiegesprek met appellant heeft plaatsgevonden. De Raad gaat er evenwel vanuit dat het evaluatiegesprek niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, op dinsdag 22 juni 2004 maar pas op donderdag 24 juni 2004 heeft plaatsgevonden. Hij neemt daarbij in aanmerking dat appellant reeds op zijn aanvraagformulier WW-uitkering heeft vermeld dat de werkgever zijn dienstbetrekking op 24 juni 2004 heeft opgezegd en dat hij ook nadien steeds heeft verklaard dat het hoofd van zijn vakgroep hem pas twee dagen voor het einde van het contract heeft meegedeeld dat het dienstverband niet zou worden verlengd. Ook de in hoger beroep in geding gebrachte e-mail wijst in die richting. In de brief van dr. Blom ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor een andere conclusie. Niet alleen is die brief ongeveer één jaar na het evaluatiegesprek opgemaakt maar bovendien wordt daarin vermeld dat het evaluatiegesprek “rond 22 juni” heeft plaatsgevonden, hetgeen geenszins uitsluit dat het evaluatiegesprek met appellant op donderdag 24 juni 2004 heeft plaatsgevonden.
3.7. Uitgaande van donderdag 24 juni 2004 als de datum waarop het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de dienstbetrekking eindigde acht de Raad de periode tot maandag 28 juni 2004 dermate kort dat het niet reëel is appellant te verwijten dat hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet heeft gesolliciteerd. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat in het nadere besluit van 23 januari 2006 ten onrechte is aangenomen dat appellant het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft geschonden.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het nadere besluit van 23 januari 2006 gegrond is en dat dat besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 12 juli 2004, in zoverre daarbij de betwiste maatregel is opgelegd, te herroepen.
5. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het nadere besluit van 23 januari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het besluit van 12 juli 2004 voorzover betrekking hebbend op de opgelegde maatregel;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.R.S. Bacon.
BvW
210